Iris Rianne (irisrianne) wrote,
Iris Rianne
irisrianne

Zwemmen door lucht

Vrijwel direct in het juryrapport hadden ze het over een verhaal met een ijzersterk begin, namelijk een verhaal over een hond die dood was. Op dat moment dacht ik dat ik niets gewonnen had, dat ze alleen maar zo gezeurd hadden zodat ik zou horen dat mijn verhaal genoemd werd in het juryrapport. Maar toen kwam de echte bekendmaking en bleek dat ik toch echt de derde prijs zou winnen. "Mooie zinnen, waaronder: Soms voelt mijn hele leven als het bezoek van mijn vader. Hij kwam niet." Ze waren erg expliciet dit jaar, je hoefde niet lang in spanning te zitten over of het over jouw verhaal ging. Wat wel prettig was, natuurlijk. Ze waren sowieso heel erg positief voor een writenowjury, dat viel me ook op.

Dus ik had de derde prijs en de presentator vroeg me wat er door me heen ging en het enige wat ik wist te zeggen was dat er niet echt iets door me heen ging en dat was ook zo. Het kwam niet geheel onverwacht, de eerste schok van blijdschap had ik al tijdens het telefoongesprek gevoeld, de enige merkbare verandering nu was dat ik geen maagpijn had. Blijdschap uit zich tegenwoordig als de afwezigheid van stress. Ik vond het vooral fijn dat ze zulke positieve dingen over mijn verhaal hadden gezegd, dat ze er mooie zinnen in vonden zitten. Zelf had ik het nog eens goed doorgelezen en vond ik dat ik er nog een miljoen dingen aan kon verbeteren. Misschien ga ik dat ook nog wel doen. Eerst moet die scriptie af. Daar ga ik zo maar weer aan verder werken. Het valt me heel erg zwaar, maar iedereen is heel erg lief voor me. Ik hoop echt dat ik mijn bachelor nog voor de zomer haal. En ik ben blij dat ik iets gewonnen heb bij writenow, ik was wel toe aan een beetje erkenning, de wetenschap dat ik toch nog ergens een beetje goed in ben.



Zwemmen door lucht

De hond is dood, maar ik heb geen berouw.

Mensen vragen sinds een tijdje niet meer aan mij hoe het met me gaat, omdat ze weten dat ik ontwijkend zal antwoorden of zelfs zal liegen. Me een koekje aanbieden werkt beter. Als ik weiger, heb ik last van mijn maag. Als ik last heb van mijn maag, gaat het niet goed.
Vandaag ben ik twintig jaar oud geworden. Officieel ben ik dus al twee jaar volwassen, maar nu ik in de tig-jaren zit, voelt het pas echt zo. Alleen mijn maag is nog zo klein, niet veel groter dan de koekjes die ik er tegen heug en meug in probeer te stoppen.
Vanochtend werd ik wakker en ik wachtte tot mijn ouders al zingend mijn kamer in zouden komen. “Lang zal ze leven, lang zal ze leven, lang zal ze leven in de gloria, in de gloria! Twee violen en een trommel en een fluit, want Neske die is jarig en de vlaggen hangen uit!” En dat de vlag dan ook echt uit zou hangen, het is immers bevrijdingsdag en vandaag herdenken we dat het twintig jaar geleden is dat ik bevrijd werd uit de buik van mijn moeder. Ik wachtte tot mijn ouders mijn broertje mee mijn kamer in zouden sleuren omdat hij te lui was om uit bed te komen. Waarna ze me hun cadeautjes zouden overhandigen en ik ze uit zou pakken en blij verrast zou zijn. Een boek, een pyjama en een nieuw kleurboek! Die middag zou ik met benzinestift alle plaatjes tot Jip en Janneke-tekeningen omtoveren. Daar verheugde ik me op.
Ik draaide me om, zag de kale grijze muur en begreep dat ik zolang kon wachten als ik wilde, maar dat mijn ouders me nooit meer zouden toezingen. Als ik geluk had, zou mijn vader langskomen, maar aan een cadeau zou hij niet hebben gedacht. Waarschijnlijk zou hij zich enkel mijn verjaardag hebben herinnerd door de doorgekraste naam op de verjaardagskalender die op het toilet hangt. Ik kom uit een typisch Nederlands gezin.
“Wat is dat voor een lelijke vlek op de verjaardagskalender?”
Die vlek, dat ben ik.

Mijn moeder is geobsedeerd door een schoon huis, maar zelf poetsen vindt ze teveel werk, daar heeft ze de werkster voor. Als zij er niet was, kon ze altijd nog mij commanderen. Ik, de grootste vlek van het hele huis, was belast met de taak om andere vlekken weg te werken.
Alsof je de vuile vaat in slootwater af gaat spoelen.

Als ze vroeg of ik wilde stofzuigen, zei ik ja, zonder erbij na te denken. Dan pakte ik de stofzuiger, trok de stekker eruit, duwde de stekker in het stopcontact –alleen de stekker, niet mijn vingers- en drukte op de knop. De verkeerde knop, zodat de draad weer een heel eind terugschoot. Maakte de fout ongedaan, drukte op de juiste knop en begon te zuigen. Niet denken aan de spinnen die op nog geen centimeter afstand langs je handen suizen. Niet denken waarvan het stof afkomstig is, enkel aan hoe schoon het straks zal zijn. Opgeruimd staat netjes.
“Neske, had je nu al stofgezogen?” Gestofzuigd. Ja.
“Oké dan.”
Ik functioneerde.

Ik lag in mijn bed en ik wachtte op tijden die geweest zijn. Ik voelde me helemaal niet jarig, of misschien juist wel. Het mismoedige gevoel van nostalgie was wellicht een duidelijke indicatie van veroudering. Het gevoel dat de goede tijden onbereikbaar ver en toch dichtbij waren, zoals de sleutel die je in de gracht hebt laten vallen. Ergens zijn ze er nog, maar waar precies is onbekend. Het enige wat zeker is, is dat je ze nooit terug zult zien. En dat de toekomst hard zal zijn. Nieuwe sleutels maken is altijd weer een heel gedoe en die ene mooie sleutelhanger is ook onvervangbaar.
Soms ben ik iets te snel met mijn mening. Toen ik na een uur mijn bed uitrolde en slaperig naar de badkamer wilde strompelen, viel vanuit het niets Mira me om de nek. “Ei ei ei, en we zijn zo blij, want Neske die is jarig en dat vieren wij! Gefeliciteerd!” Drie, nee zelfs vier zoenen op mijn wangen. Ik stonk vast nog uit mijn mond, maar dat kon haar duidelijk niet schelen. “En, voel je je al jarig?”
Ik was te verbaasd om ook maar een woord uit te brengen. Hoewel ik nog steeds een vaag gemis voelde, zag de dag er ineens een stuk rooskleuriger uit. Dit was gemeend. Het ging hier niet enkel om tradities, zingen en cadeautjes geven omdat het hoort, het ging hier om oprechtheid. Iets waar ik volslagen onbekend mee was. “Dank je wel”, bracht ik uit. Mira merkte mijn verlegenheid, maar in plaats van wat afstand te nemen zodat ik mezelf bijeen kon rapen, verstevigde ze haar greep en knuffelde me. Het is raar, over het algemeen vind ik het verschrikkelijk om aangeraakt te worden en deins ik al terug zodra er iemand bij me in de buurt komt, maar van Mira kan ik het hebben. Mijn liefhebbende huisgenootje. “We gaan er een leuke dag van maken”, fluisterde ze in mijn haar. “Niet gaan piekeren hoor. Ik zal je laten zien dat een verjaardag ook prima zonder familie kan worden gevierd.”
Ik moest ervan huilen.

Soms voelt mijn hele leven zoals het bezoek van mijn vader. Hij kwam niet. Mira was bezig met een ontbijt te maken dat ik toch niet zou opeten toen mijn broertje belde. De laatste keer dat ik gebeld werd, was het mijn vader met duizend verontschuldigingen. “Sorry sorry sorry, maar ik moet dringend naar huis. Ik was vergeten dat we uit eten zouden gaan. Met je verjaardag kom ik wel, hoor!” Dat was twee maanden geleden.
“Gefeliciteerd.” Mijn broertje klonk alsof hij een bamibal bestelde.
“Bedankt. Gaat alles goed?” In vroegere tijden zou hij nu de hoorn op de haak hebben gegooid. Vroeger zou hij niet eens gebeld hebben.
“Natuurlijk niet”, zei hij. In vroegere tijden zou ik nu hebben opgehangen. Deze keer niet, we ploegden dapper voort. “Mama loopt al de hele dag te huilen.”
Meteen voelde ik me schuldig dat ik niet de hele dag jankend door het huis liep. “Waarom dan?”, vroeg ik onnozel.
“Ze zegt dat het zo vreemd is hoe je kan rouwen om iets dat je ontkent. Ze bedoelde waarschijnlijk een persoon. Jou. Je doet haar zoveel pijn, weet je dat wel?”
Net alsof zij degene is die heeft bedacht dat ik niet meer besta. “Dag Chris.”
“Dag Nes.”
Ik heb er een hekel aan als mensen me Nes noemen, het doet me denken aan Loch Ness. Alleen voel ik me dan niet zoals het meer, maar zoals het monster dat erin rondzwemt zonder dat iemand het zeker weet.

Mocht ik een ziel hebben, dan heeft Black haar gezien. Hij had van die zwarte kraaloogjes en dat was dan ook meteen het enige wat zwart aan hem was. Zelfs zijn neus was roze, de rest mokkabruin. Het was niet alleen een stom idee van mijn ouders om een hond aan mijn broertje te geven, het was regelrecht belachelijk dat hij hem ook een naam mocht geven. Het jongetje was negen, wist hij veel dat de naam Black volkomen misplaatst was. Ik heb nog voorgesteld om hem “Mokka” te noemen, maar dat voorstel werd meteen verworpen. “Mokka is een vrouwennaam”, zeiden mijn ouders. “Black is prima.”
Chris is ook een vrouwennaam, toch heeft dat mijn ouders er destijds niet van weerhouden mijn broertje zo te noemen.

Mijn telefoon ging opnieuw. Ergens op de wereld had iemand een verkeerd nummer gedraaid. Mijn nummer. Diegene wist het nog niet, maar over een paar ogenblikken zou deze persoon óf zijn oprechte verontschuldigingen aanbieden, óf snel beschaamd ophangen. Tenzij ik niet opnam. Ik word nooit gebeld en de enige reden dat ik deze telefoon heb, is dat mijn vader mijn broertje zo ongeveer heeft gedwongen om zijn oude aan mij te geven toen hij een nieuwe kreeg. “Jij hebt er toch niets meer aan”, zei hij. Net alsof ik er wel iets aan heb. Voor telefoons moet je vrienden hebben.
Ik besloot op te nemen. “Met Neske Scheepers.”
“Met je vader. Hoe gaat het met je?”
Het is inmiddels twee maanden geleden dat mijn vader me hier naartoe heeft verhuisd en me vertelde dat ik me niet ongerust hoefde te maken. Hij zou ervoor zorgen dat mijn huur en studie betaald zouden worden. “En dan krijg je nog vijftig euro zakgeld per maand. Mama is ertegen, dus je moet het er maar niet met haar over hebben.”
Het is inmiddels drie maanden geleden dat mijn moeder iets tegen me heeft gezegd. Misschien is geschreeuwd een beter woord.
Tot voor kort was het twee maanden geleden dat mijn vader iets tegen me heeft gezegd.
“Waarom bel je?”, vroeg ik.
“Mag een vader zijn eigen dochter niet bellen? Zeg, ben je vanmiddag thuis? Ik ben namelijk in de buurt, misschien is het leuk als ik even langskom.”
“Ik ben altijd thuis”, zei ik.
“Prima, tot straks dan!”
“Tot straks.” Mijn keel deed pijn van al dat praten.
Ik heb ook nooit écht gedacht dat hij zou komen.

“Wil je een koekje?” vroeg mijn huisgenootje Mira ‘s middags.
“Ik wil naar de wolken kijken.”
Het gras prikte aangenaam tegen mijn enkels. De wolken waren slagroomkleurig, de lucht smurfenblauw.
“Kijk, een hond!” Ze wees met haar hand vluchtig naar boven, maar ik volgde haar vinger niet.
“Waarom zoek jij altijd naar verbanden? Dat is geen hond, dat is een wolk in slagroomkleur. Honden bestaan niet meer.” Ik ben weggelopen.

Drie maanden geleden vroeg mijn moeder of ik de hond wilde uitlaten. Dat wilde ik niet, maar zulke futiliteiten zijn niet van belang. Mijn moeder is bijzonder goed in het verpakken van bevelen in de vorm van een vraag. Drie maanden geleden verloor ik ongewild mijn maagdelijkheid. Toen ik thuiskwam, wilde ik douchen, maar ik moest de hond uitlaten.
Ik had zijn riem niet omgedaan. Black liep onder een auto. Mijn moeder schreeuwde dat ik hem had vermoord. Ik reageerde niet. Mijn moeder bleef schreeuwen, ik bleef zwijgen. Uiteindelijk zweeg zij ook, maar niet voordat ze had gezegd dat ik weg moest, omdat ik de hond had vermoord. Dat ik een nutteloos persoon was die nooit iets uitvoerde. Ik weet zeker dat ze daarop is teruggekomen. Ik was erg goed in stofzuigen.
Tags: schrijfsel
  • Post a new comment

    Error

    default userpic

    Your reply will be screened

  • 4 comments